Nieuwsbrief februari 2013

BTW OP VERBOUWINGEN NAAR 6% EN NIEUWE HYPOTHEEKREGELS
Er zijn recent maatregelen getroffen om de bouw en woningmarkt uit het slop te trekken. De BTW op verbouwingen en renovatiewerken in de bestaande bouw wordt daarvoor per 1 maart voor 1 jaar verlaagd naar 6%. Verwacht mag worden dat dezelfde regelgeving en uitleg van toepassing zijn zoals die gold bij de tijdelijke BTW verlaging in 2011. Het volledig en annuïtair aflossen van hypotheken binnen 30 jaar blijft de norm. Er komt wel een mogelijkheid om naast de hypotheek een tweede lening af te sluiten tot 50% van de waarde van de woning. Met de bank kunnen dan afspraken gemaakt worden over de aflossingstermijn van de tweede lening. Hierdoor kan de looptijd worden verlengd naar bijvoorbeeld 35 jaar. De rente over de tweede lening is niet aftrekbaar. Voorts zal de verhuurdersheffing langzamer oplopen.

MOGELIJKHEID OM VOORZIENING BORGSTELLING TE VORMEN
Een directeur aandeelhouder (DGA) hield alle aandelen in zijn BV. Die BV was weer 100% aandeelhoudster van een Werk-BV. In 2002 verstrekte de DGA een derdenhypotheek op zijn woning aan de bank. Dit als zekerheid voor een aan de Werk-BV verstrekt rekening-courantkrediet. In 2007 werd nog een tweede recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van de bank. De Werk-BV werd medio 2007 failliet verklaard. Vervolgens werd de DGA in oktober 2007 aangesproken door de bank. In maart 2008 verkocht hij zijn woning en voldeed de vordering van de bank op de Werk-BV. In zijn aangifte IB 2007 waardeerde de DGA de vordering die hij op de Werk-BV had verkregen af tot nihil door hier een voorziening voor te vormen. De fiscus stelde dat het in 2007 nog niet mogelijk was een voorziening te vormen en corrigeerde de aangifte. De rechter van het Hof was het met fiscus eens dat er geen sprake was van een regresvordering uit hoofde van borgstelling. Het hof achtte daarbij van belang dat de DGA als zekerheidsverschaffer niet hoofdelijk (mede) schuldenaar was geworden op grond van de derdenhypotheek. Vervolgens stelde het Hof vast dat de DGA na zijn betaling in maart 2008 wel een vordering op de BV had. Daarom behoorde de verplichting voor de DGA om toe te staan dat de bank zijn woning zou verkopen al in 2007 tot zijn werkzaamheidsvermogen. Het was daarom mogelijk om al in 2007 een voorziening te vormen.

KILOMETERS VOOR DEELNAME AAN GOLFEVENEMENT ZAKELIJK
Een ondernemer nam deel aan een door een ondernemersorganisatie georganiseerde driedaagse GVB-cursus. Hij behaalde daar zijn GVB (GolfVaardigheidsBewijs). De ondernemer stelde dat de in dit kader gemaakte kilometers waren gereden ten behoeve van zakelijke doeleinden. Hij had zijn GVB alleen behaald om als ondernemer meer kans te maken op het binnenhalen van specifieke opdrachten. De fiscus oordeelde anders. In geschil voor de rechter was of de ondernemer met zijn auto voor minder dan 500 kilometer in privé had gereden. Daarbij was vooral de vraag of de ritten voor het golfseminar als zakelijk dan wel als privé waren aan te merken. De rechtbank stelde de ondernemer in het gelijk. Ook het Hof hechtte geloof aan de verklaringen van de ondernemer. Hij had aannemelijk gemaakt dat hij om zakelijke redenen had deelgenomen aan het golfevenement. De gereden kilometers waren zakelijk.

KOSTEN WERKRUIMTE IN PRIVÉWONING NIET AFTREKBAAR
Een fysiotherapeute exploiteerde haar fysiotherapiepraktijk in een werkruimte op de eerste verdieping van haar privéwoning. Bij de voordeur was zowel een zakelijke als een privébel. In de hal op de begane grond was het privédeel afgeschermd door een rood-wit lint en een bordje met daarop ‘privé’. Met de fiscus was in geschil of de kosten in verband met de werkruimte aftrekbaar waren. De Rechtbank Haarlem oordeelde dat de werkruimte niet kwalificeerde als een zelfstandig deel van de woning. In hoger beroep stelde de fysiotherapeute dat de werkruimte niet uitsluitend werd aangewend ten behoeve van haar zelf, maar gedurende haar afwezigheid ook dienstbaar was aan haar werknemers. Hof Amsterdam oordeelde echter dat het gebruik door de werknemers van maximaal 20 dagen per jaar te beperkt was om niet meer te spreken van een werkruimte ten behoeve van de belastingplichtige zelf. De wettelijke aftrekbeperking was van toepassing op deze werkruimte. Die aftrekbeperking zag ook op de door het gebruik van de werkruimte opgeroepen energie-, schoonmaak- en inrichtingskosten.

WAARDEDRUKKENDE FACTOR VOOR ZELFBEWONING BIJ INBRENG WONING IN ONDERNEMING
Een accountant startte per 1 januari 2004 een eenmanszaak. Hij rekende het pand waarin hij met zijn gezin woonde vanaf de start van de onderneming tot zijn ondernemingsvermogen. Als waarde activeerde hij de vrije verkoopwaarde per 1 januari 2004 van € 600.000. Die waarde was bij vaststellingsovereenkomst overeengekomen tussen de accountant en de fiscus. In 2006 bracht hij zijn onderneming in een BV in. De onderneming werd verplaatst naar een extern kantoorgebouw. Het pand werd overgebracht naar privé. De accountant nam daarbij de boekwaarde op 31 december 2006 in aanmerking en paste een vermindering in verband met de bewoning toe van 35%. De fiscus stelde stelt dat de inbrengwaarde per 1 januari 2004 dan ook op 65% van € 600.000 moest worden vastgesteld. In hoger beroep oordeelde Hof ‘s-Hertogenbosch dat de accountant het pand per 1 januari 2004 tegen de vrije verkoopwaarde per 1 januari 2004 mocht activeren. De Hoge Raad oordeelde echter dat de woning per 1 januari 2004 geactiveerd had moeten worden tegen de waarde in het economische verkeer op dat moment. Hierbij moest dan volgens de Hoge Raad rekening worden gehouden met de duurzame zelfbewoning. De aangifte was terecht gecorrigeerd.

GROTE DOORVERKOOPWINST OP VERHUURD WOONCOMPLEX NIET BELASTBAAR IN BOX 1
Twee vastgoedbeleggers behaalden in 2003 ongeveer € 1 mio winst in zes maanden tijd. Dat was de doorverkoopwinst op een deels verhuurd wooncomplex. De fiscus wilde dat progressief belasten in box 1 als resultaat uit een werkzaamheid. In beroep stelde de Rechtbank Haarlem vast dat de vastgoedbeleggers door een samenloop van toevallige omstandigheden deze forse winst hadden behaald. Die was daarmee niet behaald door arbeid die normaal vermogensbeheer te boven ging of door specifieke deskundigheid of kennis van de onroerendgoedmarkt. De winst was daarmee niet in box 1 te belasten.

ROW VOOR AAN BESTUURDER STICHTING UITGEKEERDE VERKOOPWINST
Twee bestuurders van een stichting hadden die opgericht om een lening te kunnen krijgen bij de bank voor de aankoop van het studentenhuis waar ze destijds in 1982 woonden. De stichting had een aantal panden aangekocht. Bij de aankoop was een voorkeursrecht van koop verleend aan de twee bestuurders. In 2008 verkocht de stichting de panden aan een derde. De verkoopwinst werd uitgekeerd aan de bestuurders. De Rechtbank Breda stelde voorop dat niet de bestuurders maar de stichting economisch en juridische eigenaar van de panden was. Het was daarom aannemelijk dat de bestuurder het in 2008 door de stichting uitbetaalde voordeel had genoten in zijn positie als bestuurder van de stichting. De fiscus had dat voordeel (ruim € 180.000) terecht belast als resultaat uit overige werkzaamheden.

NAHEFFING EN BOETE VOOR BEDRIJF MET BULGAARSE WERKNEMERS
Een ondernemer exploiteerde een reparatie- en autobandenservice voor trucks, opleggers en aanhangers. In de jaren 2006 tot en met 2009 waren er twee werknemers in dienst. Daarnaast waren er drie Bulgaren werkzaam. Na een boekenonderzoek nam de fiscus het standpunt in dat de Bulgaren in loondienst waren. Er werden naheffingsaanslagen loonheffing met boete van 25% opgelegd. In hoger beroep oordeelde Hof ‘s-Gravenhage dat er sprake was van een dienstbetrekking met de drie Bulgaren die in het bedrijf werkzaam waren. De verklaringen die deze Bulgaren hadden gedaan wezen erop dat aan alle drie de voorwaarden voor het bestaan van een dienstbetrekking was voldaan. De naheffingsaanslag was terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. Ook de boete was terecht. Volgens de rechter had de ondernemer moeten begrijpen dat de Bulgaren bij hem in dienstbetrekking waren. Door inhouding en afdracht van loonheffing toch achterwege te laten, was sprake van grove schuld.

REKENING-COURANTOVEREENKOMST WAS GEEN LENING
Een DGA hield indirect de aandelen in een Werk-BV. Hij had de aandelen begin 2007 gekocht voor € 50.000. De BV en de DGA sloten een rekening-courantovereenkomst. Medio 2008 werd de BV failliet verklaard. Op dat moment had de DGA een rekening-courantvordering van € 398.550 op de Werk-BV. In zijn IB-aangifte over 2008 merkte de DGA het bedrag aan als negatief resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen. De fiscus accepteerde deze aftrek niet. De rechter oordeelde dat het aangaan van een rekening-courantovereenkomst niet kon worden aangemerkt als het verstrekken van een lening. Volgens de rechter moest per storting worden beoordeeld of er sprake was van een lening of van een informele kapitaalstorting. Ten aanzien van de individuele stortingen was geen zakelijke rente bepaalbaar. Daarom was sprake van informele kapitaalstortingen. Van belang was ook dat geen zekerheden waren gesteld. De vordering uit een rekening-courantovereenkomst met de BV kon niet ten laste van het inkomen worden gebracht, maar moest worden aangemerkt als informele kapitaalstorting.

TERUGKOMEN OP PRIJSGEGEVEN CORRECTIE NIET MOGELIJK
Een BV exploiteerde onroerende zaken. Naar aanleiding van een controle werden door de fiscus diverse correcties aangebracht op de VPB-aangifte voor het jaar 2000. De BV was het niet eens met die correcties en stelde beroep in. De Rechtbank ‘s-Gravenhage oordeelde dat de correctie ter zake van de verkoop van een pand te hoog was. Ten aanzien van de correctie met betrekking tot de vrijval van de vervangingsreserve stelde de rechtbank de BV ook in het gelijk. Volgens de rechtbank had de fiscus die correctie namelijk onomwonden prijsgegeven. Daar kon dan volgens de rechtbank na de zitting niet met een beroep op interne compensatie op teruggekomen worden. De rechtbank verminderde de aanslag.

 

Wij besteden de uiterste zorgvuldigheid aan deze nieuwsbrief. Echter, mede omwille van de leesbaarheid en duidelijkheid gekozen beknoptheid kunnen we de juistheid en volledigheid van deze informatie niet garanderen. Wij aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard dan ook, die het gevolg is van handelingen en/of beslissingen die gebaseerd zijn op deze informatie.