Nieuwsbrief februari 2010

GEEN NAVORDERING BIJ NIET LEZEN ELEKTRONISCHE TOELICHTING
In 2002 werd aangifte gedaan waarbij aanspraak was gemaakt op studiekostenaftrek en op giftenaftrek voor giften aan kinderen. In een toelichting waren deze kosten gespecificeerd. De aanslag werd conform de aangifte vastgesteld. Later vorderde de fiscus na in verband met de onjuiste aftrekposten. De Rechtbank Arnhem liet de navorderingsaanslag in stand, maar in hoger beroep oordeelde het Hof dat geen sprake was van een nieuw feit. Er waren immers elektronisch toelichtende gegevens verstrekt. Dat in de werkwijze van de belastingdienst in het kader van de vaststelling van aanslagen geen plaats was ingeruimd voor raadpleging van deze gegevens kwam voor risico van de fiscus. Evenmin was sprake van kwade trouw. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof bevestigd.

BESTUURSBEVOEGDHEID BEPALEND VOOR TOEREKENING TBS-RESULTAAT GEHUWDEN
Een in algehele gemeenschap van goederen gehuwde man had een vordering op een BV waarin hij een belang had van 100%. De vordering stond op zijn naam en de bestuursbevoegdheid met betrekking tot die vordering berustte ook bij hem. De vordering werd in 2002 met € 42.500 afgewaardeerd. De Hoge Raad oordeelde recent, dat het verlies geheel bij hem in aanmerking moest worden genomen. De fiscus was van mening, dat op grond van de huwelijksgemeenschap het resultaat slechts voor 50% bij hem in aanmerking kwam. Volgens de Hoge Raad was niet de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap, maar de bestuursbevoegdheid bepalend voor de toerekening van het TBS-resultaat. Ook kon niet worden gezegd dat de echtgenote het vermogensbestanddeel indirect ter beschikking stelde. Daarvan zou namelijk pas sprake zijn wanneer de daadwerkelijke terbeschikkingsteller gebruik maakt van een ‘tussenstation’ met de bedoeling de belastingheffing over het TBS-resultaat te ontlopen.

Als gevolg van deze procedure zal de tenaamstelling van o.a. huur- en rekening-courantovereenkomsten tussen de DGA en de BV van belang zijn voor de toerekening van het TBS-inkomen.

GEEN NAHEFFING LOONBELASTING BIJ ONTBREKEN NIEUW FEIT
Een BV hield zich bezig met beheersactiviteiten en het verrichten van advieswerkzaamheden. In 1992 en 1993 werd overeengekomen dat het salaris van de directeur aandeelhouder (DGA) niet in die jaren zou worden uitbetaald. De bedragen werden gereserveerd om in 2000 en 2001 te worden uitbetaald. Er werd afgesproken dat geen rente verschuldigd was. Op de balans werd hiervoor een passiefpost opgenomen. In 2000 en 2001 werd de uitbetaling opnieuw uitgesteld. Daardoor was geen loonbelasting ingehouden. Ook nam de DGA het salaris niet op in de aangifte IB. Uiteindelijk oordeelde het gerechtshof dat de inspecteur bij het opleggen van aanslagen IB 2000 en 2001 bij de DGA beschikte over het hele dossier van de BV, waarvan de beslissing tot uitstel van het salaris deel uitmaakte. Het niet raadplegen van dit dossier was een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg stond. Het ontbreken van een voor het navorderen vereiste nieuw feit kon niet worden hersteld door het opleggen van een naheffingsaanslag loonbelasting bij de BV. Navorderen zou slechts mogelijk zijn geweest wanneer de DGA te kwader trouw was geweest. Dat werd door de rechter niet aangenomen.

GEEN DWINGENDE MAATSCHAPPELIJKE REDENEN VOOR PRIJSGEVEN PENSIOENAANSPRAAK: AANSPRAAK BELAST
Een DGA bezat 50% van de aandelen in een BV. De andere helft werd gehouden door een BV waarvan de zoon van de DGA aandeelhouder was. In 2002 verkocht de DGA de aandelen aan de BV van zijn zoon. In de periode rond de verkoop van de aandelen stond de werkmaatschappij er financieel slecht voor. De zoon had het bedrijf daarop gereorganiseerd. Een en ander kon een faillissement (in 2006) echter niet voorkomen. De DGA had ook een pensioen opgebouwd bij de werk-BV. Ten tijde van zijn pensionering in 2002 zag hij af van het pensioen in verband met de slechte financiële omstandigheden. De fiscus rekende de waarde van de pensioenaanspraak van de DGA echter tot zijn belastbare inkomen uit werk en woning. De rechter was het daar uiteindelijk mee eens. In 2002 was geen sprake van niet voor verwezenlijking vatbare pensioenaanspraken. De slechte financiële omstandigheden vormden mogelijk een zakelijke overweging om als aandeelhouder af te zien van de pensioenaanspraak ten opzichte van de BV, maar dit kon niet worden aangemerkt als een dwingende maatschappelijke reden om als werknemer de pensioenaanspraak prijs te geven. Het Gerechtshof wees er hierbij onder andere op dat de BV wel loonsverhogingen had toegekend.

BESLUIT TERUGWERKENDE KRACHT VOF
De staatssecretaris heeft in een hernieuwd besluit goedgekeurd dat aan een schriftelijke personenvennootschapsovereenkomst (o.a. VOF) waarin een terugwerkende kracht is overeengekomen, een terugwerkende kracht van maximaal negen maanden kan worden toegekend. Ook voor de toepassing van de ondernemingsfaciliteiten wordt dan rekening gehouden met de terugwerkende kracht. De goedkeuring is ook van toepassing op anderen dan echtgenoten.

VOORZIENING VOOR LEEGSTANDSRISICO VOOR VERKOCHT PAND
In mei 2001 werd aan een BV een nieuwgebouwd bedrijfspand opgeleverd. Dat gebouw werd door een dochtermaatschappij deels in gebruik genomen. In 2002 werd het gebouw verkocht. Daarbij werd overeengekomen dat de BV het pand tien jaar lang zou huren. Omdat de BV en haar dochtermaatschappij minder dan de helft van het pand huurden, nam de BV het leegstandsrisico op zich. Hiervoor voerde ze in haar aangifte vennootschapsbelasting een voorziening op. Het Gerechtshof besliste dat het vormen van een voorziening niet mogelijk was. Volgens het Hof moest dit risico namelijk worden toegerekend aan het jaar waarin de leegstand daadwerkelijk optrad. De adviseur van de Hoge Raad, de Advocaat Generaal (AG) concludeerde echter onlangs dat de winst in 2002 was gerealiseerd en dat de winst op de verkoop dan ook in dat jaar thuis hoorde, zodat geen winstuitstel mogelijk was. Vervolgens gaf hij voor wat betreft de voorziening voor het leegstandsrisico aan dat aan de eerste twee criteria van het Baksteenarrest (oorsprong en matching) was voldaan. De AG was van mening dat de uitspraak van het Gerechtshof vernietigd moest worden.

BESTUURDERSAANSPRAKELIJKHEID IS STRIJDIG MET EVENREDIGHEIDSBEGINSEL
Een bestuurder van een BV hield zich bezig met projectontwikkeling. In 1997 betaalde de BV aan een andere BV een vergoeding voor de levering van een perceel grond en de overname van een project. De fiscus legde daarvoor een naheffingsaanslag omzetbelasting op. Nadat de BV haar betalingsonmacht te laat had gemeld, stelde de ontvanger de DGA hoofdelijk aansprakelijk voor het niet-betaalde gedeelte van de naheffingsaanslag. Vervolgens werd daarover geprocedeerd. De AG was van mening dat het onweerlegbare bewijsvermoeden van art. 36, vierde lid, Invorderingswet 1990 onverbindend is wegens strijd is met het communautaire evenredigheidsbeginsel. De bepaling heeft voor de bonafide bestuurder die niet slaagt in het bewijs dat de niet tijdige melding niet aan hem te wijten is, het gevolg dat hij niet toegelaten wordt tot het bewijs dat hij geen onbehoorlijke bestuurder is. Deze sanctie vond de AG onevenredig. Het verwijzingshof zal moeten gaan onderzoeken of de DGA slaagt in zijn bewijs dat hem geen onbehoorlijk bestuur kon worden verweten.

GEBRUIKELIJK LOON VASTGESTELD OP € 2.000

Een DGA bezat 50% van de aandelen en was de bestuurder van een Beheer-BV. Die BV hield alle aandelen in een dochtervennootschap. De fiscus had het verzamelinkomen van de DGA in het jaar 2003 vastgesteld op € 80.200. Omdat in 2003 geen aangifte was gedaan, werd de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De rechtbank toetste of er een redelijke schatting was gemaakt van het inkomen. De DGA had voor zowel de Beheer-BV als voor de dochtervennootschap werkzaamheden verricht. Op de zitting stelde de inspecteur dat de werkzaamheden voor de Beheer-BV gering van omvang waren, zodat het gebruikelijk loon voor die vennootschap op € 2.000 gesteld kon worden. De rechtbank volgde dit nadere standpunt. Het standpunt van de fiscus dat de werkzaamheden voor de dochtervennootschap op 70/40 van het gebruikelijk loon gesteld moest worden, was onvoldoende aannemelijk gemaakt, nu geen vergelijking was gemaakt met soortgelijke dienstbetrekkingen. Ondanks de omkering en verzwaring van de bewijslast was het de fiscus die aannemelijk moest maken dat het gebruikelijk loon op een hoger bedrag dan € 38.118 gesteld moet worden. De DGA kon niet aannemelijk maken dat het gebruikelijk loon voor de dochtervennootschap op nihil gesteld moest worden. Daardoor stelde de rechter het gebruikelijk loon voor de werkzaamheden voor BV’s samen vast op € 40.000.

Wij besteden de uiterste zorgvuldigheid aan deze nieuwsbrief. Echter, mede omwille van de leesbaarheid en duidelijkheid gekozen beknoptheid kunnen we de juistheid en volledigheid van deze informatie niet garanderen. Wij aanvaarden dan ook geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard dan ook, die het gevolg is van handelingen en/of beslissingen die gebaseerd zijn op deze informatie.